|
OP DE BRES VOOR DE USSELER ES
Rembrandt's Nachtwacht hangt onverzekerd in
het Rijksmuseum. Een rare gedachte als je dat voor het eerst hoort. De
verklaring is even simpel als logisch: hij is van onschatbare waarde.
Vanzelfsprekend wordt het ding door vele voorzorgs-maatregelen omringd;
allerlei aanslagen en bijbehorende motieven zijn tenslotte denkbaar.
De Waddenzee is evenzeer van onschatbare waarde. Nog een parallel: ook
natuur en landschap hebben geen stem. Daarom is voor de Waddenzee het
voorzorg-beginsel ontwikkeld: gewoon van af blijven, en verder geen discussie.
Dat kost geld, zowel vanwege uitgaven voor beheer en onderhoud, als door
het afzien van inkomsten. Uit gasboringen en intensieve visserij met name.
De regering heeft dat doorbroken. Ze heeft een adviescommissie benoemd
die ons unaniem verzekert dat de risico's
van gasboringen aanvaardbaar zijn. Dat is stug, want sinds jaar en dag
geldt voor dat onderwerp: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Het gezegde luidt
dat ‘men kikkers niet moet vragen de sloot te dempen'. Er zitten dus geen
kikkers in de adviescommissie. Die zouden er uitgesprongen zijn. Het voormalig
CDA-kamerlid Van Wijmen, een bij vriend en vijand gerenommeerd pleitbezorger
voor natuur en milieu, zat er bijvoorbeeld niet in. Zijn vertrek uit de
fractie lijkt me de directe verklaring voor het feit dat die club zijn
standpunt ten aanzien van dit onderwerp 180° kantelde, nog voor de
inkt van het advies droog was.
Politici zijn ook maar passanten. Zelf heb ik dat gevoel ook gehad. Ik
kwam vanuit Enschede in Groningen studeren op mijn 18e. Tien jaar later
-bij aanvang van mijn wethouderschap- kende ik vooral de binnenstad goed…
De inwoners van een stad vertrouwen hun cultureel erfgoed op die manier
toe aan lieden die daar weinig tot geen persoonlijk historisch besef bij
hebben. Terwijl die lui wel besluiten over ingrijpende reconstructies,
en de meeste zich –soms na korte tijd– al snel weer elders vestigen. Doorgereisd;
hun loopbaan achterna.
Neem de nieuwe woonwijk langs het Groninger Reitdiep. Die lag al op tekening
ter tafel, vlak voor mijn vertrek in 1996. Een onherstelbare ingreep in
een herkenbaar cultuurlandschap; kleinschalig, maar toch. De wethouder
van Ruimtelijke Ordening erkende kort na oplevering van de wijk, dat hij
het als een planologische mislukking beschouwde, waar ze nooit aan hadden
moeten beginnen. Wat ik dapper vond, zij het dat hij met zijn laatste
periode bezig is.
Zo gaat het, en zo zou het mij ook vergaan zijn.
Toch is de vraag wat mijn standpunt zou zijn geweest, als ik in Enschede
was blijven wonen en daar als wethouder had moeten meebeslissen over de
toekomst van de Usseler es. Als kinderen liepen wij vanuit onze straat
aan de rand van de stad zo de boer op . (twentse
spreektaal) Richting Haaksbergen rees dan vlak voor het dorpje Usselo
een glooiing op in het landschap: een krans-es van Europese allure. Dwars
er over een zandpad, de Helweg. (´oude benaming´ gaf het naambordje
als toelichting) Langs de rand het Mauritsbosje, vernoemd naar de prins
die er ooit bij de belegering van de stad zijn nachtrust genoot. Aan de
voet aan de Usseler kant woonden Gert en Hermien in villa ´t
Kon Amper . Met pasen bouwde de lokale gemeenschap er een magnifiek
paasvuur. Vanaf een trekker schalde dan gemütliche
muziek en voor twee kwartjes was er Jägermeister.
Daar komt men nu tevergeefs om. Eén derde van de es is doorsneden
door een snelweg. Verdiept aangelegd, maar je ziet, ruikt en hoort hem.
Langs de zuidkant loopt een rondweg. Rondom is de stedelijke bebouwing
opgerukt. Vanuit de resterende boerderijen wordt nauwelijks nog geboerd.
De grond is schaars. De gemeenteraad delibereert al tijden over de vraag
of een groot deel van de es bebouwd moet worden als bedrijfsterrein. Vanzelfsprekend
met architectonische eisen, uit respect voor de landschappelijke context….
Ik zou tegen zo´n voorstel stemmen. Maar als ik over de Usseler
es wandel, zie ik een andere es dan Enschedese bestuurders-leeftijdgenoten
die van elders komen, of geboren-Enschedeërs van latere generaties.
Ik kan hen niets kwalijk nemen. Uiteindelijk zijn wij allen passanten.
21 april 2004

|