|
The remaining Doors - 40 jaar later.....
Je gaat al zo’n 50 jaar je weg,
en hebt weet van die ander die ook in dit ondermaanse rondwandelt; kent
diegene bij naam en toenaam en weet soms zelfs privé-zaken, maar
je treft elkaar nimmer in levende lijve. Die ander heeft geen weet van
jouw bestaan, slechts het vermoeden van one in a
crowd…Zo gaat dat met beroemdheden. Die ‘kent’
men weliswaar niet echt, maar bijvoorbeeld hun muziek kan je het gevoel
geven dat ze je heel vertrouwd zijn. Het zijn wonderlijke momenten, als
beide levenswegen elkaar uiteindelijk toch kruisen. Afgelopen donderdag
had ik zo’n ervaring. Ik was aanwezig bij een concert – komt
zelden voor – van de resterende The
Doors. Het betreft de heren Ray Manzarek (67) en Robbie Krieger (60).
Al vanaf de middelbare school is hun muziek een deel van mijn geschiedenis,
zij het dat hun namen destijds schuil gingen achter die van zanger Jim
Morrison. Een man die zich naar het scheen – het fijne wist je er
nooit van – buitengewoon liederlijk
gedragen had tijdens zijn
leven, en ons als 70’er-jaren tieners veel reden tot opwinding
gaf. Tegen de tijd dat ik me zijn muziek bewust werd, verkeerde hij al
met Jimi Hendrix en Janis Joplin in het Walhalla van drank, drugs en sex.
En Rock ’n Roll natuurlijk.
The Doors waren grensverleggend en voor preuts Amerika even berucht
als populair. Behorend tot de generatie die de jaren ’60 net niet
ten volle bewust meemaakte, heb ik een interesse ontwikkeld naar het hoe
en waarom deze periode zozeer opstandige jeugd voortbracht. Wat bewoog
hen en vooral, wat beklijft er eigenlijk?
Jim Morrison interesseerde me als oorspronkelijk figuur en icoon van die
generatie dusdanig, dat ik in 1991, bij gelegenheid van zijn 20-jarig
verscheiden zijn biografie
kocht. In diezelfde tijd bracht Oliver Stone zijn film over The Doors
uit. Als regisseur verwerkte hij in ‘Platoon’ al veel Doors-muziek,
zoals Francis Ford Coppola hun song 'The End' in 'Apocalypse Now'; kenmerkend
voor de sfeer onder Amerikaanse soldaten in Vietnam.
Toen ik onlangs de aankondiging zag van het optreden van de ‘Riders
on the Storm’, besloot ik kaarten te reserveren. Donderdagavond
trof ik de heren in de Music Hall bij de Amsterdamse Arena. Op het aangekondigde
aanvangstijdstip leek de zaal redelijk leeg te blijven. Maar na bijna
1,5 uur wachten (sommigen dreigden met slow handclapping)
zagen we tegen half 10 de bandleden het podium betreden in een uitverkocht
huis. Ondertussen had ik de tijd om het publiek in ogenschouw te nemen.
Jonge mensen, ik ben geneigd te zeggen kinderen, sommigen in gezelschap
van hun ouders, mengden zich met mensen met de uitstraling van grootouders.
Hippe twintigers met een 60’er jaren-look
– zij zijn er volop – stonden overwegend vooraan. Onder hen,
bij nadere beschouwing, onder de dekmantel van geverfde haren, overigens
ook veel oudere jongeren.
Indachtig Bob Dylan’s motto Forever young,
zetten de Riders hun Storm in met een knallende
versie van 'Roadhouse Blues'. De eerste maten troffen me rechtstreeks
in de maag, zo hard. Onbekend met dit soort concerten, onderging ik het
als een sensatie. Ik blikte achterom naar een ‘oma’ die zich
op de stoelenrij achter ons had genesteld. Die genoot! Maar dit eerste
nummer stempelt al het concert. Het refrein ‘I
bought myself a bee-eer..’ laat de zanger over aan de massaal
meezingende zaal. Volgens mij had Jim Morrison dat nooit gedaan. In de
film is te zien hoe hij in 1970 – na een periode van afkick-afwezigheid
– de overige bandleden treft in de studio, om het eindresultaat
van ‘Riders On The Storm’ te beluisteren. Jim reageert woedend
als hij ‘Light My Fire’ als deuntje hoort bij een reclamefilmpje
voor een huishoudelijk product. Dat ze de rechten daarvoor wensten te
verkopen ervaart hij als verraad. Voor Jim Morrison was wat zij componeerden
ontsproten aan ware poëzie. Halverwege, als in een vage echo, probeert
zanger Ian Astbury 37 jaar later het publiek op te zwepen door te roepen
dat het hier een ‘poetry-show’ betreft…. De achterliggende
gedachte gaat langs de massa heen.
Door als tweede nummer ‘Break
On Through’ (to the other side) te programmeren, refereren de
heren aan die pretentie van de oorspronkelijke bandleden. The
Doors is ontleend aan een dichtregel van William Blake (Ïf
the doors of perception are fully cleansed, everything would appear like
it really is. Infinite."), en symboliseert toegang naar een
magisch-poëtische wereld. De band brengt het fantastisch en even
bezeten als het ooit werd opgenomen. De vervangers van Morrison en drummer
John Densmore, lijken mij één à twee generaties jonger
dan het resterende duo Manzarek en Krieger. De toegevoegde bassist in
de podiumschaduw achteraf, als Jamaïcaan toch al minder goed te onderscheiden,
lijkt me ook veel jonger. Met deze mix produceert de band de muziek vanuit
overtuiging en enthousiasme. Met zichtbaar plezier ook en dat bezorgen
ze mij zeker. Tijdens het derde nummer ‘Love Me Two Times’
showt Manzarek jeugdigheid door zichzelf af en toe met zijn rechtervoet
te begeleiden…. het heeft toch net iets te veel van een quasi-circusact.
Net als het zorgvuldig ingestudeerde zwaaien met de microfoon-aan-een-snoer
door Astbury. Dat hoeft echt niet meer jongens.
Lichtjes pijnlijk wordt dat duidelijk onder nummer vier ‘When The
Music’s Over’. De stiltes in de aanloop naar de apotheose
van ‘We want the world’ (and we
want it……….NOW!) beogen het opbouwen van spanning. Op
donderdagavond 4 januari 2007 worden die stiltes doorbroken door een intens
geroezemoes dat hardvochtig duidelijk maakt, dat we hier vooraleerst toch
op een reünie zijn. Een manifestatie van nostalgia.
Geen meute die op zoek is naar expressie van hun opstandige gevoelens.
……Alles is al een keer gedaan…..
Echt pijnlijk vind ik de aansluitende poging van Manzarek, om die opstandigheid
alsnog op te roepen. Na eerder overbodig gevloek, richt hij zich nu tot
de zaal met een verontschuldiging voor het optreden van George Bush. De
hele lange weg die hij vanaf de sixties is gevolgd, ziet hij dat volwassenen
zich waanzinnig blijven gedragen. Om zijn verontschuldiging kracht bij
te zetten zegt hij de hele zaal op whisky te trakteren, waarna ‘The
Whisky Bar’ opnieuw luidkeels wordt meegezongen. Om te voorkomen
dat we het idee krijgen dat we tegen al die waanzin maar beter vergetelheid
kunnen zoeken in drank, volgt het martiale ‘Five To One’:
‘Your Ballroom Days Are Over’
lijkt de machthebbers der aarde te moeten bedreigen. De krant maakt de
dagen er na duidelijk dat dat ook na dit optreden er niet van zal komen….
Hoe vaak ‘Come together, one more time..’
ook als refrein gediend mag hebben. Wat dat betreft toont Manzarek realiteitszin
als hij er “like we said in the sixties”
nog het motto ‘Make love, not war’ op laat volgen. Hij is
er moe van en verlaat het podium, nadat hij Robbie Krieger heeft aangeprezen
als de enige flamencospeler in de rockmuziek. Die toont dat gedurende
een minuut of tien virtuoos aan, zodat de overige bandleden hun dorst
kunnen lessen. (Zo’n Manzarek zal toch ook niet al te lang zijn
plas meer op kunnen houden)
De flamenco-solo gaat naadloos over in het schitterende ‘Spanish
Caravan’, waarna de Riders door‘stormen’ met ‘The
Changeling’. De frase “If I had money’
doet komisch aan. Uit de recensie van Stan Rijven in Trouw van zaterdag
maak ik op dat John Densmore niet mee drumt omdat de heren een conflict
om de zakelijke rechten tot voor de rechter hebben uitgevochten. Het is
de verklaring waarom de bezetting die we krijgen voorgeschoteld niet optreedt
als The Doors. Jammer, om niet te zeggen strange.
Dat doen de heren wel door ‘People
Are Strange’ in te zetten. (Oma op de rij achter ons beweegt
hoofd en bovenlijf ritmisch mee...) Gevolgd door een mij minder bekende
song over een ‘spookhuis’ op een hill.
Na een vage ode aan James Brown volgt ‘Touch
me’. Terecht eert Ian Astbury de componist: “Lyrics and
music by Robbie Krieger!”
Mijn vraag of we deze avond nog zullen worden herinnerd aan Jim Morrison
wordt beantwoord tijdens ‘LAWoman’.
In de aanloop naar “Mister mojo risin’ ” draagt Astbury
de song op aan zijn alter ego.
Daarna vertrekken de heren (“God bless you”) om na het obligate
klappen en joelen terug te keren voor ‘Riders On The Storm’,
dat voor mij eigenlijk nimmer meer aan het inmiddels verworven Candlelight-imago
ontkomt.
Opnieuw laten de muzikanten ons verweest achter. Manzarek keert als enige
terug en neemt een loopje met alle pretenties als hij ons toevertrouwt
dat “als we heel hard ‘Robbie’, ’Robbie’
roepen..” de rest ook nog wel zal terugkeren. En dat doen ze, om
de 2 uur durende ‘zinsbegoocheling’ te besluiten met ‘Light
My Fire’.
Het deunt de hele reis naar het nachtelijke Groningen na…..
7 januari 2007

|