HOE FAILLIET IS HET WELZIJNSWERK?

Gesubsidieerd welzijnswerk op gemeentelijk niveau heeft het moeilijk. Resultaten blijven achter bij de verwachtingen. Bezuinigingen volgen elkaar op. Er gaan zelfs stichtingen failliet. De crisis gaat echter dieper dan gebrek aan geld of uren. Het failliet is meer moreel.

Jongerenwerk, buurt- en clubhuiswerk, sociaal cultureel werk zijn in de afgelopen 30 jaar vergaand geprofessionaliseerd. Veel welzijnswerkers blijven echter hangen in hun lokale circuit. De veiligheid van een CAO-baan en een monopoliepositie verstikken gaandeweg het creatieve enthousiasme waarmee men ooit van de sociale academie kwam. Jongerenwerkers die de ANBO-leeftijd reeds bereikt hebben vormen in het personeelsbestand geen uitzondering. Degenen die verkasten door zich te ontwikkelen en aan te klampen bij de veranderende wereld om hen heen, versterkten de identiteitscrisis voor de achterblijvers.
In gemeenten gaan vele miljoenen welzijnseuro’s om. Vooral door de Welzijnswet waarmee minister Elco Brinkman in de 2e helft van de jaren ´80 een veelheid aan specifieke uitkeringen decentraliseerde, kregen gemeenten nieuwe welzijnstaken. Dit alles onder forse kortingen op de beschikbare rijksgelden, omdat gemeenten geacht werden deze taken efficiënter uit te kunnen voeren. Tezamen met de voortgaande ontideologisering (val van het communisme; voortschrijdende individualisering; toenemende spreiding van welvaart) bracht dat begin jaren ’90 de wens naar meer inzicht in de feitelijke effecten van welzijnswerk. Wat levert het eigenlijk op?, was als vraag heel lang onkies.
Om hierop meer greep te ontwikkelen werd het budgetcontract bedacht. Daarin wordt voor een bepaalde periode (doorgaans vier jaar) de subsidie voor organisatiekosten vastgelegd. Daarnaast worden projectgelden vastgesteld, waarmee vooraf overeengekomen doelen moeten worden gerealiseerd. Binnen bepaalde spelregels komen financiële voor- of nadelen voor rekening van de welzijnsstichting. De uitkomsten van de budgetperiode bepalen de voorwaarden voor de volgende contractperiode: positieve resultaten worden beloond. Als de gestelde doelen niet zijn gehaald valt er wat uit te leggen en kan een (straf)korting volgen.

Deze benadering lijkt grotendeels een papieren operatie gebleven. Niet in het minst doordat subsidiërende gemeenten er niet in slagen om concrete doelen te formuleren. Menig raadslid geeft bovendien blijk van slappe knieën als het op afrekenen aankomt. Temeer daar er bij ondermaats presteren niet kan worden uitgeweken naar beter presterende instellingen. Die zijn er doorgaans domweg niet. Feitelijk vormen lokale welzijnsinstellingen dan ook monopolies. Bezuinigingen vinden desondanks al jarenlang plaats, als gevolg van de gemeentelijke financiële positie in het algemeen.
Gebrek aan gemeentelijke interesse komt ook voor en blijkt wel heel scherp, daar waar welzijnsinstellingen failliet gaan. Aan de andere kant maskeert welzijnswerk de heersende identiteitscrisis, als het zonder concrete plannen klaagt over gebrek aan subsidie en beschikbare uren.

Een argument voor overheidssubsidie aan welzijnswerk is dat het als algemeen of neutraal te boek staat. In feite deugt dat argument niet. Het gaat in de praktijk niet op en er is juist behoefte aan meer ‘ideologie’ c.q. identiteit. De sociaal cultureel werker was niet neutraal toen die zich vroeger aan de zijde van jongeren schaarde in hun ‘strijd tegen het gezag’, dan wel vòòr het minimumjeugdloon. Ook de welzijnswerker van nu staat ergens. Maar waar? Jongeren worden tegenwoordig overstelpt door een hedonistische cultuur waarin alles draait om genieten en (zelf)bevrediging. Op welke morele grond nemen jeugdwerkers stelling als het gaat om solidariteit tussen de generaties? Tussen allochtoon of autochtoon? Tussen gezonde en gehandicapte mensen? Kunnen zij überhaupt nog ambities pretenderen?
In vergelijking met de vele subsidie-euro‘s, ontvangt de lokale amateursport slechts een grijpstuiver. Sportverenigingen en bijvoorbeeld Scouting weten jongeren echter veel beter uit te dagen om hun eigen plek te vinden temidden van het ik-tijdperk. En dat met nagenoeg uitsluitend vrijwilligers!
“Sport gaat goed samen met nadenken over waarden en normen” stelt de Nederlandse Culturele Sportbond in het aprilnummer van de Humanistische Alliantie. “In de sport gaat het om afspraken, het nut van regels.” De Nederlandse Christelijke Sport Unie vertaalt al jarenlang christen-zijn in de sport naar beginselen van fair play. Integratie van mensen met een handicap is in menige sportvereniging een groot succes.
Scouting Nederland ontwikkelde een speciale training waarin leidinggevenden leren omgaan met culturele verschillen. In Haarlem draagt de Marokkaanse gemeenschap bij aan scoutinggroep de Brug, die integratie van verschillende culturen praktisch vorm geeft. “Kinderen die samen spelen in een scoutinggroep, hebben geen tijd om zich te verbazen over elkaars culturele achtergronden”.
De voorbeelden lijken willekeurig gekozen. Toch is de trend duidelijk. Om met Bolkestein te spreken: het verschil is het bezielend verband. Het lokale buurthuis biedt een vrijblijvend, gratis aanbod. Voor een scoutinggroep of sportclub kies je en betaal je contributie. Je wordt er gemist als je niet op komt dagen.
Om naast welzijnswerk, meer vormen van gemeenschapsopbouw te kunnen ondersteunen, hebben gemeenten behoefte aan een flexibel budget. In semi-ambtelijke CAO-banen vastgelegde subsidies spannen het paard slechts achter de wagen.

Bert Westerink
organisatieadviseur en part time wethouder in Delfzijl; voorzitter van cvv Oranje Nassau

14 mei 2005


Terug naar de homepage